Dialyse is geen behandeling die ik “er even bij doe”. Het is mijn ritme geworden, mijn beperking, maar ook mijn redding. Het houdt me in leven — en tegelijk herinnert het me er elke dag aan dat mijn lichaam het niet meer alleen kan.
Soms voel ik hoop. Hoop omdat ik er nog ben. Omdat ik tijd krijg — tijd met de mensen van wie ik hou, tijd om nog iets te maken van mijn dagen. Op die momenten klamp ik me vast aan kleine dingen: een gesprek, een lach, een moment waarop ik me even bijna “normaal” voel.
Maar er zijn ook dagen dat de wanhoop zwaarder weegt. De vermoeidheid die in mijn botten zit. De afhankelijkheid van een machine. Het gevoel dat mijn vrijheid is ingeleverd voor overleven. Dan vraag ik me af hoe lang ik dit volhoud, en wat “kwaliteit van leven” eigenlijk nog betekent.


Het verwarrende is: die twee gevoelens bestaan tegelijk in mij. Ik ben dankbaar en boos. Hoopvol en moe. Strijdbaar en uitgeput.
Ik leer langzaam dat beide kanten er mogen zijn. Dat ik niet altijd sterk hoef te zijn. Dat het oké is om te rouwen om wat ik kwijt ben, terwijl ik tegelijk vasthoud aan wat er nog is.
Dit is mijn leven nu. Niet zwart of wit, maar ergens ertussenin — tussen hoop en wanhoop.

